Tekst: Sandra Veenstra
Foto’s: Robert Vos

Ontwikkelingspsycholoog Bartje de Wit startte zijn loopbaan in de hulpverlening, werkte vervolgens als onderzoeker, psycholoog en docent, toen hem door het college van bestuur werd gevraagd naar zijn idealen. Daar hoefde hij niet lang over na te denken: gelijker kansen voor jonge kinderen. Inmiddels is hij zelf 10 jaar directeur bestuurder bij stichting Vinci Toponderwijs, een door broer Walter, Kees Broekhof en Arjen Scholten opgericht netwerk van experts dat onderwijsconcepten ontwikkelt, zich verbindt aan de uitvoerders, adviseert en kennis deelt. Eén van die onderwijsconcepten is TOP VVE1, een programma gericht op het verhogen van educatieve kwaliteit van Voor- en Vroegschoolse Educatie.2

Leonardo da Vinci

‘De naam Vinci verwijst naar Leonardo da Vinci’, legt Bartje de Wit uit. ‘We leggen de lat heel hoog, want kinderen verdienen kwaliteitsonderwijs. Onderzoek wijst uit dat kinderen dat in Nederland vaak niet krijgen. We zien al langer dat kinderen in Nederland het op mondelinge taalvaardigheid in vergelijking met anderen landen niet goed doen. Dat ligt niet aan de kinderen, maar we doen hen daarmee wel te kort. Mondelinge taalvaardigheid is de basis van taalontwikkeling, het volgen van onderwijs en de omgang met leeftijdsgenoten. Ernstig als dat op jonge leeftijd al niet goed verloopt. Leonardo Da Vinci was een veelzijdig denker, die vragen stelde, verbanden legde en nooit genoegen nam met oppervlakkige antwoorden. Precies dat vermogen willen we ook bij kinderen ontwikkelen. Daartoe werken wij met experts uit verschillende disciplines en denken out of the box. We ontwikkelen onderwijsconcepten, waarbij we kritisch zijn op feiten, actuele wetenschappelijke inzichten en best practices.’

De broers De Wit hebben zelf alle kansen gehad om zich te ontwikkelen en willen zich beroepsmatig dan ook inzetten om dat ook andere kinderen te bieden. ‘Meer kansen creëren voor kinderen die minder kansen hebben, ik denk dat we elkaar hebben besmet’, lacht Bartje de Wit. ‘De meeste impact heb je bij kinderen tussen de 2 en 6 jaar. In die fase wordt de basis gelegd voor denken, taal en leren. Eén van onze onderwijsconcepten is daarom gericht op die leeftijd en hebben we ontwikkeld met wetenschappers, onderzoekers én praktijkexperts: TOP VVE. Wat je vaak ziet is dat in de reguliere VVE de pedagogische kwaliteit hoog is, maar de educatieve kwaliteit te wensen over laat. En juist daar richten wij ons op, want daarmee verhoog je taalvaardigheden en het denkniveau.’

Pedagogische en educatieve kwaliteit

De afgelopen jaren is in kinderopvang en VVE veel nadruk gelegd op pedagogische kwaliteit, voorwaarden om tot leren te komen: pedagogische relatie, sfeer, veiligheid, interactie, in feite hoe het ontwikkelklimaat te optimaliseren. Hierin zijn belangrijke stappen gezet. De educatieve kwaliteit richt zich meer op stimuleren van taal en denken. De mate waarin professionals die werken met jonge kinderen, er via inzet van didactiek in slagen om de ontwikkeling van kinderen op het gebied van taal, denken en kennis te bevorderen. De Wit: ‘Wat je in de praktijk ziet is dat de nieuwsgierigheid van kinderen vaak door volwassenen wordt uitgedoofd. Er wordt genoegen genomen met dat kinderen luisteren en met oppervlakkige interacties: “Wat is dit?” Het kind geeft het correcte antwoord en dan: “Goedzo”, en klaar. Daar leren kinderen weinig van. Het stimuleren van taalontwikkeling blijft dan bij woordenschat en betekenis van woorden. Die aandacht is terecht, maar niet voldoende. Het gaat niet alleen om de woorden, ook om hoe woorden gebruikt worden.’

‘Wat je vaak ziet is dat in de reguliere VVE de pedagogische kwaliteit hoog is, maar de educatieve kwaliteit te wensen over laat.’

Hij licht verder toe: ‘Als je taal leert, kun je luisteren, maar wat begrijp je dan? Ook als je woorden kan herkennen, koppelen aan voorwerpen en betekenis, onderga je het denken en blijft het vlak. Om je hersenen op verschillende gebieden aan het werk te zetten en te laten samenwerken, moet je zelf spreken. Als je spreekt gebeurt er zoveel meer in het brein. Razendsnel moet worden nagedacht over wat je wilt vertellen, welke woorden daarbij horen, welke vorm van die woorden je nodig hebt, wat de relatie tussen die woorden is en in welke volgorde je ze moet zetten. Wij willen interactie die het denken stimuleert; in echte gesprekken zijn kinderen zelf veel aan het woord. Zulke interacties zijn leerzamer, waardoor je ook de taal van het redeneren, verbanden leggen en gedachten verwoorden leert.’

Denken op gang brengen

De Wit: ‘Juist de kwaliteit van de interacties, tussen de professional en het kind en kinderen onderling is essentieel. Bij Vinci stellen wij ons vragen als: hoe kunnen we via interactie de nieuwsgierigheid van kinderen voeden en het denken op gang brengen. De aangeboren nieuwsgierigheid van kinderen is daarbij aanjager van ontwikkeling en moet je gericht uitlokken. Je stimuleert breinactiviteit door open vragen en daarop door te vragen, door te laten uitleggen, stiltes te laten ontstaan om ruimte te bieden om na te denken. Door kinderen zélf te laten spreken en echte gesprekken te laten voeren, ontstaat er veel meer breinactiviteit en wordt spreken de motor van hun ontwikkeling. Spreken is goud…’ 

‘Hoe mooi zou het zijn als je ook de thuissituatie zou kunnen verrijken met meer taalrijke interacties.’

‘Wat je wilt is kinderen concepten aanbieden waardoor ze gaan onderzoeken en begrijpen hoe de wereld in elkaar zit. En daarvoor is hoge educatieve kwaliteit noodzakelijk. Wij richten ons dan ook direct op de deskundigheidsbevordering van de professionals die met jonge kinderen werken, zoals pedagogen en kleuterleerkrachten. Er wordt gericht aan de mondelinge taalvaardigheid van kinderen gewerkt. Professionals krijgen een training van anderhalf jaar met opdrachten en praktijk, gericht op de grondhouding om ontwikkeling aan het kind te ontlokken. De deelnemers vormen een vaste leergemeenschap, waarbij naast de eigen pedagogisch coach ook een Vinci-coach betrokken is, om coaching on the job te geven. Het is het kantelen van de mindset. Om te bekijken of de aanpak effect heeft, worden er gedurende het traject CLASS2 observaties uitgevoerd, om een beeld van de educatieve kwaliteit te krijgen.’

Taalrijke interacties, ook thuis

De Wit: ‘En hoe mooi zou het zijn als je ook de thuissituatie zou kunnen verrijken met meer taalrijke interacties. Ouders worden daarom uitgenodigd om het programma Club Pageturner3 te volgen, dat maar één doel heeft: ouders, samen met hun kind, digitale prentboeken laten bekijken, zo vaak en zo lang mogelijk. Hiervoor worden digitale prentboeken met luistertekst ingezet. Je hoeft dan geen beroep te doen op de geletterdheid van de ouders. Door het samen doen, gaan zowel de ouders als kinderen het leuk vinden, en ontstaan er thuis nieuwe gewoontes.’

De boodschap van De Wit is helder: spreken en gesprekjes voeren en omgang met leeftijdsgenootjes vormen de basis voor taalontwikkeling. Lok dat meer uit, want … luisteren is belangrijk, maar spreken is goud.

Bronnen:
1. Montessori, M. (1912). The Montessori method (A. E. George, vert.). Frederick A. Stokes Company, p. 88.
2. Het CLASS-instrument is een observatiemethode die zich richt op de kwaliteit van interacties tussen professional en kinderen.
3. http://www.vinci-toponderwijs.nl/onderwijsconcepten/pageturner