Montessorikerndoelen voor in en buiten de vrije ruimte
Tekst: Paul Op Heij
Het HML neemt via actieonderzoek tot stand gekomen pedagogische kerndoelen op in het curriculum, als aanvulling op de kerndoelen van de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO). Conny van der Zande: ‘Die actiepunten worden dus geen aparte vakken op school, maar moeten wel inslijten door ze cyclisch terug te laten komen.’

Een anderhalf jaar durend actieonderzoek naar mogelijkheden om taakaanvaarding en discipline op en rond het Haags Montessori Lyceum te verbeteren, leverde een lijst actiepunten op die als vier schooleigen kerndoelen ook in het curriculum worden opgenomen. Wat is er mooier, vraagt HML-rector Conny van der Zande, dan dat je als montessorischool voor die 30% vrije ruimte in het curriculum montessorikerndoelen ontwikkelt, geformuleerd volgens de SLO-werkwijze, met doel- en kernzinnen. Doelen of actiepunten voor samenwerken, keuzes maken, voorbeeldgedrag en (spel)plezier ervaren en ruimte krijgen en nemen. Punten waarbij leerlingen een rol krijgen om ruimtes binnen en buiten school schoner en mooier te maken, docenten om de coachleerlijn te verbeteren, ouders en buurtgenoten van de school om mee te denken en doen aan meer betrokkenheid en verbeterde relaties.
Kenmerken van actieonderzoek zijn de koppeling tussen onderzoek en praktijkverbetering, het cyclische karakter en actieve deelname van betrokkenen. Hoofddoel is niet kennis vergaren, wel een praktijksituatie veranderen of verbeteren. Het onderzoek verloopt in een spiraal van plannen, handelen (actie), observeren en reflecteren. Nieuwe inzichten worden direct toegepast in de volgende cyclus. Deelnemers zijn geen proefpersonen, maar actieve partners die samen het proces vormgeven. Het onderzoek is gebaseerd op principes als democratische besluitvorming, respect en inclusie. De opgedane kennis is bedoeld voor de context waarin zich een probleem voordeed. Evaluatie en zelfreflectie van de betrokkenen staan dus centraal om het eigen handelen te verbeteren.
Haags Montessori Lyceum
Wat was dan dat probleem? Op het Haags Montessori Lyceum, een school met twee locaties, voor mavo/havo en een voor vwo, van in totaal 1700 leerlingen, vond de zes jaarlijkse visitatie plaats voor een nieuwe montessori-erkenning door de Nederlandse Montessori Vereniging (NMV). De NMV-visiteurs spraken hun waardering uit over het pedagogische werk- , leef- en leerklimaat op school, maar waren kritisch over de taakaanvaarding en discipline van de leerlingen, in de klas, qua werkhouding voor huiswerk en toets voorbereiding. Maar ook wat betreft het nemen van verantwoordelijkheid tegenover de omgeving van de school, zowel wat betreft het schoonhouden van ruimtes als de bejegening van omwonenden.
Verspreid over anderhalf jaar kwamen zo’n 30 ‘stakeholders’ – leerlingen, medewerkers, ouders en buurtbewoners van de school vier keer bij elkaar in de vorm van een wereldcafé om volgens de principes van appreciatie inquiry actieonderzoek uit te voeren, vertelt Conny van der Zande. ‘Deze manier van onderzoek is een zoektocht die je zou kunnen opdelen in vier fases: discover, dream, design en deliver. We ontdekten wat er al was aan handvatten om verbeteringen aan te brengen in die taakaanvaarding en discipline. Daarna zijn we projecten gaan bedenken om er grip op te krijgen. We zijn interviews gaan afnemen, met buurtbewoners, ouders, leerlingen en leraren en onderwijs ondersteunend personeel, ouders hebben podcasts gemaakt en een rubriek in de Nieuwsflits voor ouders verzorgd, over hoe het er thuis aan toe gaat. We zijn ons samen met leerlingen gaan afvragen hoe we de centrale hal van school zouden kunnen herinrichten tot een uitnodigender plek. Leerlingen zijn afval in de buurt gaan prikken – dat deden we eerst alleen op het strand. 4 Havo heeft gekookt voor de buurt en leerlingen hebben posters gemaakt voor in de stad, om nieuwe brugklassers te werven. Daar zijn we de werkzame ingrediënten uit gaan halen om die te verduurzamen door ze in het curriculum op te nemen. Zo ontwikkelden we als team, samen met leerlingen, ouders en buurtgenoten, kennis, vaardigheden en houdingen om die kerndoelen te formuleren: zelfinzicht, zelfsturing, in staat zijn taken te kunnen aanvaarden, doorzettingsvermogen en verantwoordelijkheid, om die taakaanvaarding en discipline ook echt te kunnen realiseren.1 Die kerndoelen of actiepunten worden dus geen aparte vakken, maar moeten inslijten door ze cyclisch terug te laten komen. Bij alle vakken werken leraren en leerlingen mee aan die competenties; ze zijn voor alle vakken nodig om tot leren te komen. En dan niet met rubrics gaan werken om het af te vinken, maar er met elkaar over in gesprek zijn. Vanuit de montessorigedachte, ‘Leer mij het zelf te doen’, heeft het HML daarin een opvoedende taak.’
‘Zo zijn leerlingen je leidraad, want als die zich bij jou op hun gemak voelen, zien ze zaken vaak scherper dan wij volwassenen die zo druk met van alles zijn.’
Master organisatiecoach
Conny van der Zande denkt met die aanpak niet de waarheid in pacht te hebben, maar ze is wel enthousiast over de master tot organisatiecoach die ze volgt op de Haagse Hogeschool. Ze mocht het er geleerde in praktijk brengen in haar eigen organisatie. Het mooie aan actieonderzoek, zegt ze, is dat het niet in een kantoortje bedacht wordt en in een la eindigt. Of dat het blijft bij ‘abstract gewauwel’. ‘Het fijne van het mogen toepassen op mijn eigen school was niet alleen dat het goed past bij montessori, maar ook dat ik het geleerde samen met mijn collega’s mocht toepassen. Mooi vond ik ook hoe daarbij ideeën en plannen gevisualiseerd werden, zodat je het ook echt voor je zag. En na het dromen kwam het design, het vormgeven van de kerndoelen voor in het curriculum – ik zal je een foto sturen met hoe we samen rond die curriculumspin staan. Het was gezellig, goed voor de sfeer op school, voor de teambuilding en de omgang tussen medewerkers en leerlingen. Twee jaren geleden hoorde ik collega’s nog veel vaker zeggen dat “ze” niks doen. En leerlingen zeiden dan dat de leraren ook hun telefoon weg moesten doen – dat typische “wij – zij”-denken.’
Uit het actieonderzoek werd ook duidelijk hoe belangrijk voorleven is, dat leraren en ander personeel met een positieve levenshouding op school aanwezig zijn, docenten liefde voor hun vak uitstralen en niet alleen maar routinematig handelen. Maar ook dat docenten zich verantwoordelijk gedragen en leerlingen in emotie niet minder respectvol bejegenen, al is het maar in hun taalgebruik. Hetzelfde geldt voor leerlingen, ook onderling, als je hen serieus neemt, zegt Van der Zande. ‘Voor hen gaat voorleven meer om een levenshouding dan je aan regels houden. Tijdens een van de afgenomen interviews zei een leerling dat voor hem voorleven niet alleen betekende dat de docent zijn kopjes opruimt, maar ook dat hij plezier heeft aan dingen nog eens uitleggen. En bij het evalueren en afsluiten van een van die bijeenkomsten sprak een leerling uit dat ze het fijn gevonden had dat ze gecomplimenteerd was voor haar inbreng. Zo zijn leerlingen je leidraad, want als die zich bij jou op hun gemak voelen, zien ze zaken vaak scherper dan wij volwassenen die zo druk met van alles zijn. Ik vond het mooi dat dat ook door betrokken ouders en buurtgenoten opgemerkt en uitgesproken werd. Ook daarom is het zo’n mooi proces waar we met elkaar in zitten, in feite een proces van vertragen met elkaar, een dat door moet gaan. Er is meer begrip voor elkaar ontstaan, door elkaar te observeren, met elkaar in gesprek te zijn, en door naar jezelf te kijken. Dat werkt doorgaans toch beter dan meer en strengere regels opstellen.’

