Taal: waar zullen we beginnen?
Tekst: Jaap de Brouwer
De nieuwe kerndoelen komen eraan, vanaf augustus, ook voor taal. Wat betekent dit voor montessorischolen en het werken met materialen? Is het aanbod van materialen voldoende kerndoel dekkend of zijn er hiaten? En hoe wordt dat eventueel aangevuld door montessorischolen in bet basisonderwijs?

Maria Montessori zag taal als een noodzakelijke voorwaarde voor het menselijke leven. Taal maakt communicatie mogelijk, zodat mensen met elkaar in contact kunnen treden. Montessori achtte taal zelfs zo van belang dat ze in Het brein van het jonge kind stelt dat taal het instrument is van het ‘gezamenlijk menselijk denken’ en dat taal ‘ten grondslag ligt aan de veranderingen van de beschaving’.1 Er is dus veel aangelegen kinderen goed in te wijden in taal, schrijft Montessori, waarbij ze uiteraard wel een onderscheid maakt tussen het spreken, schrijven en lezen van taal.
‘Het schrijven van letters was volgens haar in eerste instantie immers een motorische vaardigheid.’
Spreken-schrijven-lezen
Het spreken beschouwde Montessori vooral als een natuurlijk proces. In haar boek Het brein van het jonge kind beschrijft ze uitgebreid hoe het proces van het leren spreken van een taal tot uiting komt. Ze richt zich hier specifiek op het jonge kind dat taal absorbeert uit zijn omgeving, waarna het zich van onbewust, naar bewust taalgebruik ontwikkelt via een vast aantal stadia. Montessori beschrijft welke hersengebieden betrokken zijn bij het leren spreken van een taal2 en concludeert dat de mens is uitgerust met een mechanisme om een taal te leren spreken waarbij de gesproken taal afhankelijk is van de omgeving waarin een kind opgroeit.3 Zo bekeken vatte Montessori het leren spreken op als een natuurlijk ontwikkelingsproces van de opgroeiende mens.
Het leren schrijven van een taal vatte Montessori daarentegen níet op als een natuurlijk leerproces, maar als het verwerven van cultuur.4 Toch is het schrijven op zich, zeker voor jonge kinderen, geen zuivere intellectuele bezigheid, meende zij. Het schrijven van letters was volgens haar in eerste instantie immers een motorische vaardigheid: aan te leren door het nauwkeurig, gecoördineerd naschrijven van letters – steeds meer en vaker, totdat kinderen de letters herkennen. Wanneer kinderen de letters kennen, volgt het schrijven, als vorm van
woorden spellen, daar logisch uit voort.5 Feitelijk blijft dit schrijven het achter elkaar opschrijven van losse letters. Montessori illustreert dit als volgt: ‘Zij lazen zelfs niet wat met de hand geschreven werd. Zelden nam de een van hen de moeite te lezen, wat de ander geschreven had. Het leek wel of zij niet in staat waren de woorden te lezen. Veel kinderen keken mij verbaasd aan als ik hardop de woorden las, die zij hadden geschreven, alsof zij wilden vragen: hoe weet je dat?’
Lezen zag Montessori wél als ‘zuiver intellectueel werk’; je kunt pas lezen op het moment dat je interpreteert en snapt wat je kunt lezen.6 Lezen is dus altijd begríjpend lezen, vanuit Montessori’s perspectief, en ontwikkelt zich vanuit letters, naar woorden, naar zinnen en uiteindelijk hele teksten. Hierbij leren kinderen dus eerst het motorische schrijfproces, van waaruit het lezen zich verder op ontwikkelt. Hoewel Montessori schreef over een gevoelige periode voor taal, bedoelde ze daarmee dus de natuurlijke ontwikkeling van het leren spréken van een taal. Bij lees- en schrijftonderwijs benadrukte zij de rol van onderwijs; er was volgens haar geen sprake van een gevoelige periode voor of een natuurlijke ontwikkeling op het gebied van lezen en schrijven.7
‘De beperkte beschikbaarheid van taalmateriaal is misschien ook wel logisch.’
Beschikbare taalmaterialen
Hoewel er veel montessorimaterialen beschikbaar zijn, is de lijst voor taal enigszins beperkt. Taalmateriaal is vooral vindbaar in de onderbouw. Daar vinden we natuurlijk de schuurpapieren letters en de letterkisten, om te leren schrijven en lezen. Daarnaast de boerderij voor het leren lezen, maar ook voor het aanleren van de eerste grammaticale basiskennis. In de middenbouw vinden we de gekleurde taaldozen, waar kinderen grammatica, lezen en schrijven mee kunnen leren. Montessori beschrijft hoe kinderen door het leren van de basiskennis over grammatica ook beter leren lezen en taal beter leren begrijpen.8 Het pijlenmateriaal voor zinsontleding en de taalsymbolen maken deel uit van de taalmaterialen voor zowel de midden- als bovenbouw, waarmee op een steeds abstracter niveau met grammatica gewerkt wordt.
De beperkte beschikbaarheid van taalmateriaal is misschien ook wel logisch. Gezien de internationale verspreiding van het montessorionderwijs zou het erg bewerkelijk zijn om voor elke taal afzonderlijk materiaal te ontwikkelen. Daarnaast gaan de taalmaterialen die Maria Montessori ontwierp, vooral uit van taalstructuren, bijvoorbeeld bij de materialen voor grammatica, waarbij de aandacht zich richt op de verschillende woordsoorten of zinsdelen in een zin; iets dat in elke taal voorkomt, maar in elke taal anders. Daarnaast bouwt ze het taalcurriculum op vanuit concreet, zintuigelijk handelen in de onderbouw, naar het kennis opdoen en veelvuldig oefenen met taal in de middenbouw, naar het toepassen en redeneren op een abstracter niveau in de bovenbouw. Vanuit dit oogpunt is het verschil in de hoeveelheid materialen in de onderbouw en midden- bovenbouw begrijpelijk. Heeft een kind zich het lezen en schrijven eenmaal technisch eigen gemaakt, dan heeft het immers geen concreet materiaal meer nodig, is de gedachte.
‘Daarom zijn er door de jaren heen talloze initiatieven geweest om de taalmaterialen aan te vullen.’
Eventuele aanvullingen
Toch stelt deze beperktere beschikbaarheid van taalmaterialen montessorischolen voor een dilemma. Zo is er geen materiaal voor spelling beschikbaar en gaf Montessori hooguit wat losse aantekeningen mee over voortgezet technisch lezen, begrijpend lezen of stellen.9 Een kritische blik op de materialen en deze aantekeningen laat zien dat er hiaten zijn in het curriculum en dat aanvullingen gewenst zijn. Daarom zijn er door de jaren heen talloze initiatieven geweest om de taalmaterialen aan te vullen. Van het boekje Zo ontwikkelt de taal zich in het montessorionderwijs10 uit 1937, met daarin bijvoorbeeld aandacht voor de ‘leesles’, tot en met concrete materialen
voor stellen, spelling, communicatie, begrijpend lezen, mappen met didactische bijsluiters voor beginnende en gevorderde geletterdheid tot en met complete taalmethodes. Montessorischolen zoeken kortom naar houvast om hun taalcurriculum te organiseren en voldoende aanbod te hebben, om daarmee de ontwikkeling van schrijven, lezen en spelling te bevorderen. Wanneer er geen gewenste aanvullingen zijn, wordt er met regelmaat ook teruggegrepen op reguliere taalmethodes.
Nieuwe kerndoelen
Met de invoering van de nieuwe kerndoelen 2026, vanaf augustus, wordt eens te meer het belang van aanvullingen voor het taalcurriculum duidelijk. De nieuwe kerndoelen delen het vakgebied taal op in drie domeinen: het domein ‘communicatie’, waarbij het onder andere gaat om het begrijpen van communicatie, teksten te produceren en informatie bronnen te verkennen op betrouwbaarheid en kwaliteit. Het domein ‘taal’, waarbij het gaat om kinderen te leren hoe taal als systeem in elkaar zit; denk hierbij aan spelling, lezen, grammatica. En het domein ‘literatuur’, waarbij het gaat over verkennen van literatuur om zodoende de taalvaardigheid en blik op de wereld van kinderen te verbreden. Een eerste verkenning van deze domeinen en bijbehorende kerndoelen laat zien dat er voor montessorischolen werk aan de winkel is, met betrekking tot aanvullende materialen.11
Voor de meeste kerndoelen uit het domein communicatie is immers geen materiaal beschikbaar, wat ook geldt voor het domein literatuur. In het domein taal lijken de montessorimaterialen beter te passen. Verklaarbaar, gezien het hierbij gaat om taalstructuren, uitgangspunt van de montessorimaterialen. Toch zitten ook binnen dat domein taal voldoende hiaten in het montessori-materiaal, met betrekking tot de invulling van de kerndoelen. Bijvoorbeeld als het gaat over het kerndoel waarbij ‘de leerling verkent hoe je met taal uiting geeft aan identiteit.’
Het is wellicht geen schokkende stelling dat de invoering van de nieuwe kerndoelen montessorischolen noopt tot nog eens goed nadenken over aanvullende materialen en activiteiten. Want alleen het gebruik van bestaande montessorimaterialen volstaat niet, maar dat is een conclusie die door de jaren heen al vaker getrokken is. Tijden en eisen aan het onderwijs veranderen en dus is het noodzaak dat montessorischolen zich opnieuw leren te verhouden tot deze nieuwe eisen. De vraag is vooral welke aanvullingen het beste passen bij de montessori-
visie, de schoolcontext en die ook nog eens dekkend zijn voor de nieuwe kerndoelen voor taal.
Praktijkvoorbeelden
Interessant is het dan ook om te bekijken op welke wijze montessoribasisscholen invulling geven aan het taalonderwijs op hun school. De Eerste Veluwse Montessori-school uit Nunspeet ontwikkelde een eigen werkwijze rondom Rijke taal waarbij taal geïntegreerd wordt bij de kosmische onderwerpen. Begrijpend lezen vindt dan ook plaatst rondom de kosmische onderwerpen. ‘Wij hebben afgelopen twee jaar geïnvesteerd in een Rijke Taalcultuur in de school’, vertelt directrice Nicolet Groenweg. ‘Taal is op elk moment zichtbaar in de school. Ook bij vrij lezen is er specifiek aandacht voor lezen en mondelinge taalgebruik en luisteren door middel van zogenoemde mini lesjes.’ Voor spelling wordt er gebruikt gemaakt van Staal!, terwijl de Taal: doen kast de basis vormt voor het taalaanbod.
‘Begrijpend lezen vindt dan ook plaatst rondom de kosmische onderwerpen.’

De Plotter uit Zutphen heeft zich als doel gesteld om zo min mogelijk aanvullende methodes te gebruiken. Maar ook zij zien in dat het aanbod dan niet volledig kerndoel dekkend is. Daarom maken zij wel gebruik van de Taal:doen kast omdat zij vinden dat de werkwijze goed aansluit bij de montessorivisie. Voor het ontwikkelen van het schoonschrijven gebruiken zij Handschrift of Pennenstreken. Daarnaast ontwikkelen zij zelf veel materialen. ‘Dat kost tijd’, zegt directrice Irma Pieper, ‘maar zorgt ook voor eigenaarschap en deskundigheid bij de leraren. Hierdoor hebben we scherper zicht op wat we doen en waarom.’Het zelf ontwikkelen van materialen gebeurt ook op montessorischool Wij de Wereld in Deventer. Daar maakten ze zelf materiaal voor spelling en werkwoordspelling. Creatief schrijven, stellen, begrijpend lezen en woordenschat worden, net als in Nunspeet, gekoppeld aan de kosmische onderwerpen die in de groepen centraal staan. ‘Daarnaast zijn we net begonnen met de methodiek van Positive Discipline en de daarbij horende klassenvergaderingen. Daar oefenen de kinderen ook de spreek- en luistervaardigheden’, stelt directrice Wyneke de Vries.

