Tekst en foto’s: Sam de Vlieger

Aan het begin van de 20e eeuw gaf Maria Montessori in Rome een lezing genaamd ‘De nieuwe seksuele moraal’, waarin ze seksualiteit aan het moederschap verbond. Als ik zelf niet net vader was geworden, had ik de inhoud van deze lezing waarschijnlijk snel terzijde geschoven als een gedateerde, extreem moralistische opvatting over vrouwen, moederschap en seksualiteit. Nu troffen de lyrische woorden over moederliefde mij en vroeg ik mij af of haar gedachten toch ook vandaag nog waarde hebben.

Op het eerste gezicht komt de lezing van Montessori over als een fascistisch programma voor een nieuwe, betere mens.1 Zo zei ze dat ‘de vrouw moet weten hoe ze de biologische en morele belangen van de soort moet verdedigen – tegen onreinheid.’ De vrouw moest ‘een offer brengen’ door ‘haar liefde niet aan onreine mannen te geven’ maar alleen – en hier citeerde ze de filosoof Nietzsche – aan de ‘krachtige, de mooie, degene die weet hoe te willen.’

Hoe vreemd deze woorden ook klinken (of hoe bekend, als je naar steeds luider wordende rechts-extremistische ideeën over ‘omvolking’ luistert), in haar tijd waren denkbeelden over de verbetering van de soort internationaal wijd verspreid, en werden in de praktijk gebracht door bijvoorbeeld overheidsprogramma’s voor verplichte sterilisatie. Kenmerkend voor Montessori was dat zij de verantwoordelijkheid voor de verbetering van de menselijke soort met name bij vrouwen legde in plaats van bij de overheid of de staat en dacht dat de morele verbetering ook deels via onderwijs te bereiken was.2,3

Voor Montessori waren haar woorden onderdeel van een feministisch pleidooi. Een vrouw was een moeder en de moeder moest triomferen om de vrouw de juiste positie in de samenleving te geven. In plaats van het idee van the survival of the fittest zag zij dat de soort met een vorm van moederschap die de zwaksten kan beschermen, zou overwinnen. Het moederschap was voor haar van doorslaggevend belang voor een betere toekomst: ‘De moeder staat boven de verschillende sociale groepen als een hoeder van de toekomstige generaties.’

‘Het moederschap was voor haar van doorslaggevend belang voor een betere toekomst.’

In zwierige zinnen beschrijft zij de moeder: ‘Ze is mooi, gehuld in de mantel van gerechtigheid, en met haar blote voet als de waarheid verplettert ze de slang van onze morele ellende. Ze lijkt de personificatie van zuiverheid, maar deze zuiverheid bestaat volledig uit moederschap en toewijding. Van haar straalt zo’n pracht van moederliefde uit dat deze zich over de hele mensheid lijkt te verspreiden.’

Haar lezing over een nieuwe seksuele moraal ging volledig om het moederschap en het opvoeden van deze ‘nieuwe moeder’ – seks was in haar ogen een nietig middel tot dit moederschap en niet meer dan dat. Om deze heilige taak te vervullen moest de moeder zelf kunnen beslissen wie een geschikte vader voor haar kinderen zou zijn, moest ze openlijk met haar zonen over seksuele mores spreken (geen boys will be boys) en de schaamte rondom seks opheffen door het te beschrijven als een middel tot het verheven doel van voortplanting en moederschap.

Een aantal van deze onderwerpen is gelukkig vanzelfsprekend geworden. Op scholen gaat seksuele opvoeding in op hoe je seksuele relaties aangaat, wat gepast gedrag is en het maakt taboes bespreekbaar. Montessori zou deze vorm van seksuele voorlichting zeker toejuichen, omdat ze de zeggenschap van vrouwen vergroot en de potentie heeft om seksueel geweld tegen te gaan (UNESCO, 2018).4 Tegelijkertijd is er in die voorlichting weinig aandacht voor moederschap en -liefde. Je zou zelfs kunnen zeggen dat seksuele voorlichting seks juist loskoppelt van moederschap door vooral te bespreken hoe je het kan voorkomen.

‘Maar waarom sluit Maria Montessori diezelfde moederliefde op in het lichaam van een vrouw?’

Maar, vroeg ik mij als kersverse vader af, wijzen de lyrische woorden van Montessori over moederschap niet op een waardevol element voor seksuele opvoeding? Met moederliefde als een universele natuurkracht?

Nu stel ik me niet een moralistische les over seks als middel tot het heilige doel van het moederschap voor, zoals Montessori die voorschreef. Op mijn katholieke middelbare school werd door de docent levensbeschouwing nog een poging gedaan. In de les waarvan iedereen wist dat hij zou komen, haalde hij een stuk brood uit zijn broodtrommel, kneep het fijn en stopte het in zijn oor en daarna in zijn neus, terwijl hij zei: ‘Je kunt brood in je oor en in je neus stoppen, maar daar is het niet voor bedoeld. Het is bedoeld om op te eten.’ Vervolgens stopte hij het demonstratief in zijn mond. De walging die deze demonstratie opwekte stond waarschijnlijk de moralistische boodschap dat seks bedoeld was voor voortplanting enigszins in de weg.

Als ik Montessori’s woorden nog eens lees, zie ik naast het biologisch determinisme en de ‘essentialistische’5 opvattingen van het begin van de twintigste eeuw ook een hoopvolle lofrede op de moederliefde. Volgens haar verhulden de sprookjes over ooievaars die baby’s komen brengen, de moederliefde die juist overal in de natuur voorkomt. In plaats van sprookjes zouden we over de fantastische wonderen van de natuur moeten vertellen. Zij zei: ‘Laten we de serene kennis van de voortplanting uitdragen en deze verlichten met alle poëzie die er van nature bij hoort.’

Het fantastische wonder van de geboorte van ons kind luidde voor mij een nieuwe, poëtischere wereld in. Tijdens de geboorte zag ik hoe het lichaam en de geest van de moeder samensmolten en transformeerde tot een krachtig en indrukwekkend natuurverschijnsel. Een overtrekkende storm. Totdat in één keer het kind er was. Plots was al het geweld verdwenen en was er alleen nog liefde en hemelse opklaring.

‘Zouden we er niet veel meer van krijgen als we er meer mensen in laten delen?’

Sindsdien word ik regelmatig overspoeld door liefde. Door de volledige overgave van de moeder tijdens de geboorte, door de tederheid waarmee de verpleegkundigen de geboorte begeleidden, door de gulzigheid van het drinkende kind aan de borst, door de vanzelfsprekendheid waarmee de kraamhulp zich in ons nieuwe gezin nestelde. Het grenzeloze vertrouwen waarmee ons kind bij ons in slaap valt.

Als ik nu Montessori’s woorden ‘van haar straalt zo’n pracht van moederliefde uit dat deze zich over de hele mensheid lijkt te verspreiden’ herlees, denk ik: Ja! Die krachtige bron van liefde straalt op iedereen. De tederheid, zorg en liefde van zorgverleners, vrienden, vaders, huisdieren en tantes die mij zo ontroerd, is volgens mij van diezelfde bron afkomstig.

Maar waarom sluit Maria Montessori na deze fantastische zin over de stralende pracht van moederliefde, diezelfde moederliefde op in het lichaam van een vrouw? De fantastische wonderen van de natuur hadden haar toch ook kunnen vertellen dat de liefde en zorg niet exclusief aan moeders toebehoren? Dat niet alleen moeders zich opofferen om de zwaksten, de toekomstige generaties te beschermen?

Als ze in haar lezing de vader louter als gids beschrijft, die met zijn levenservaring zijn kinderen langs de ‘ontberingen van het bestaan leidt,’ zou ik haar willen bevrijden van het biologisch determinisme dat haar denken plaagt. Ik zou haar willen zeggen dat ik, volgens mij, de verantwoordelijkheid die met die moederliefde gepaard gaat, kan helpen dragen, zodat het moederlichaam niet onder deze verantwoordelijkheid verpletterd wordt. Dat dat lichaam niet wordt opgesloten in het moederschap, maar ook nog kan zingen, werken en rusten.

Natuurlijk, verschilt mijn lichaam van dat van de moeder. Ik heb ons kind niet gebaard en ik kan haar met mijn lijf ook niet voeden. Het lichaam van de moeder en het kind lopen in elkaar over. Ze vormen een twee-eenheid waar ik niet tussen kan komen. Maar als het moederlichaam de oorsprong van moederliefde is, betekent dat niet dat het ook haar bestemming is, zoals het biologisch determinisme ons wil laten geloven.

Is moederliefde niet een fantastisch wonder van de natuur waar verwekkers, vrienden, zorgverleners, ooms en huisgenoten in kunnen delen? En zouden we er niet veel meer van krijgen als we er meer mensen in laten delen? En als dat zo is, is dat dan niet het vertellen waard? En dan wel met alle poëzie die er van nature bij hoort.

Bronnen:
1. Over Montessori’s verhouding tot het fascisme is veel geschreven maar is niet het onderwerp van dit essay. Haar lezing vormt een momentopname van het denken van Montessori aan het begin van haar pedagogische carrière. Zie Montessori, M (1908). La nuova morale sessuale. Conferenza della dottoressa Maria Montessori, Rome.
2. Voor een uitvoerige beschrijving van Montessori’s ‘Antropologische Pedagogiek’ uit 1910 in het licht van de eugenetica uit die tijd, zie: Holzer, L. A. (2020). Eugenik bei Montessori: Eine Betrachtung von Maria Montessoris Werk “Pädagogische Anthropologie” aus der Perspektive der Eugenik [Masterthesis, Universiteit Salzburg]
3. In plaats van haar landgenoot en criminoloog Cesare Lambroso die dacht dat crimineel gedrag een aangeboren afwijking was.
4. UNESCO (2018), International technical guidance on sexuality education: an evidence-informed approach. Het is dan ook tragisch dat juist in Italië seksuele voorlichting geen verplicht onderdeel is van het schoolcurriculum en dat de huidige regering, ruim honderd jaar na haar lezing, seksuele voorlichting op basisscholen heeft verboden.
5. Essentialisme is het idee dat alles een vaste kern of essentie heeft en dat daarmee eigenschappen en betekenissen vastliggen. Bij deze manier van denken hoef je niet alles zelf te bepalen, want de natuur of logica deed dat al. Het existentialisme gaat er juist van uit dat mensen vrij zijn en zelf verantwoordelijk voor keuzes.