Recensie
Tekst: Paul Op Heij
Perspectief van moeder en kind
Het helpen hervinden van basiswaarden, om opnieuw te kunnen aarden of ijken is wat arts en kinderpsychiater Donald W. Winnicott met Kind, gezin en buitenwereld (2025) doet, de eerste Nederlandse vertaling van diens radio-‘praatjes’ voor de BBC van 1943 tot 1962, in 1964 verschenen als The Child, the Family and the Outside World. Winnicott maakt het belang van een goede hechting van een kind voor diens verdere ontwikkeling duidelijk. Maar het bijzondere ervan is vooral hóe Winnicott dat doet, vanuit het perspectief en de beleving van kind en moeder. Per levensfase beschrijft hij, laat hij zien, hoe kinderen een individu worden in relatie tot hun omgeving, ouders, school, cultuur. Hij prijst daarbij de toewijding van ouders – bij hem vooral de moeders, bij opvoeding en ontwikkeling, en vindt het belangrijk dat ze zich niet gek laten maken door derden. (POH)
Onderwijs illusies plus één
De auteurs van Onderwijs illusies (2026), Paul Kirschner, Carl Hendrick en Jim Heal, noemen de betrokkenheidsillusie een gevaar: een klas die enthousiast bezig is, hoeft cognitief niet diep met de leerstof bezig te zijn. Zij maken een onderscheid tussen presteren en leren. De expertise-illusie houdt in dat docenten vaak vergeten hoe groot de kloof is tussen hun expertise en die van beginners. En de transfer-illusie houdt in dat gedacht wordt dat kennis toegepast in de ene context ook zomaar overgedragen kan worden naar een andere. De auteurs pleiten voor een terugkeer naar ‘bewezen strategieën’, zoals leerlingen actief kennis uit hun geheugen laten ophalen. En ze waarschuwen dat digitale tools of ‘moderne’ ontdekkingsmethoden gestructureerde instructie niet kunnen vervangen. Een illusie die zij vergeten te noemen is denken dat leren en ontwikkelen individuele processen zijn.(POH)
Dreiging van dríe kanten
In Waarom maken we van scholen geen bedrijven? (2026) onderzoekt Anouk Zuurmond privatisering en marktwerking in ons onderwijs. Zij analyseert hoe neoliberale principes en ‘New Public Management’ scholen hebben getransformeerd tot quasi-markten gericht op meetbare output en consumentisme. Ze toetst die ontwikkeling aan filosofische stromingen. Tegenover Ayn Rands radicale pleidooi voor volledige privatisering plaatst zij Masschelein en Simons die school zien als een plek van ‘vrije tijd’, waar kennis een ‘gemeengoed’ is. Vanuit Michael Sandel en Aristoteles wordt onderwijs verdedigd als een publiek goed nodig voor het ‘kweken’ van gemeenschapszin. Simone Weil ziet onderwijs als leerschool voor emancipatoir verzet en Hannah Arendt als vitale ‘tussenruimte’ die kinderen beschermt tegen ‘instrumentalisering’ door politiek (overheid), economie (markt) en samenleving. Harry Brighouse verdedigt dat elk kind recht heeft op kwalitatief onderwijs dat persoonlijke autonomie bevordert. (POH)

