Maria
Maria Montessori werd academisch opgeleid in een tijd waarin het ‘positivisme’ de heersende wetenschapsfilosofie was, met de grondgedachte dat wetenschappers afstand moeten nemen van zichzelf en de ander. Het studieobject kan volgens die wetenschapsopvatting objectief bestudeerd worden, zonder beïnvloeding door eigenbelang en persoonlijke emoties. Montessori zag echter dat liefde (voor het kind) en wetenschap in de pedagogiek juist wél moeten samengaan. Emotionele betrokkenheid is in de pedagogiek geen zwakte, maar juist een kracht, ja zelfs een belangrijk opvoedingsinstrument van de wetenschapper en opvoeder. Montessori pleitte daarmee voor een pedagogische wetenschap die geen afstand schept, maar juist nabijheid vraagt: ze verenigde liefde en wetenschap om elk kind te zien zoals het is.
Montessori, M. (2019). Het brein van het jonge kind. Montessori Pierson Publishing, p. 298
‘Het kind is een bron, een beek van liefde. Raakt men het kind, dan raakt men de liefde.’

